[...] Inmiddels valt met open mond de schone ridder op de stompe grond.
En menen wij ze te grazen hebben genomen, gepakt en in glazen bokalen verpakt.
Samen met de bananen en de potfrituur naar Hasselt gebracht.
Vanachter, in den bak.
Achter touwklussende nonnen en met onbehaarde baarden grommen zij de penen uit uw maag.
Gestaag naar de verdoemmenis geholpen zijt gezegend gij.
Met uw klompen, uw schone lompen aan, sierlijk en arrogant, gelijk een moederloos wijf uit een rozenblaadjes onderlijf zijt gij getrokken, gerokken in uw knokels zult gij van uw grijze haren geen meneren meer versieren.
Wanneer al het sap is verdronken in het drooggelekte land van Saeftinge waar gij vroeger nog met uw botjes in vastgestonken waart.
Verdronken haast om gered te kunnen worden.
Schone ridder, weet toch, als ge nog eens van uw paard stuikt, dat ge dan uw benen niet vergeet.
Die hebt ge nodig om te stappen, naar natte tappen. [...]