Ik weet waar ik heen ga, zei ze. Ze keek uitdagend. Haar lip klemde ze onder haar witte tanden, vastberaden, maar haar ogen zegden me dat ze daar helemaal niet zo zeker van was. Ze tastte. Bevestiging, alsof ik in staat was om haar daarmee te verraden (ik glimlach daar op winterdagen als deze soms nog om). Het liefst van al wilde ze dat ik nee schreeuwde, dat het niet waar was, nee, dat niemand wist waarheen te gaan. Maar ik keek haar stomweg aan. Het arme kind. Het waait, zei ik, je zal kou hebben. Want zo'n dingen zeg ik dan.

Ze trok haar schouders op, schokje. Daar had ze geen last van, pochte ze, maar haar blik gleed over de witte horizon en de winterzon scheen op de boerderij en maakte haar wangen bleek. En ik keek haar stomweg aan, want zo'n dingen doe ik dan.